Het district Coronie bevindt zich in het noordwesten van Suriname. De hoofdplaats is Totness.
Met de kolonisatie van het district werd rond 1800 begonnen. Katoen was het belangrijkste product. Veel van de oorspronkelijke planters waren Schotten (Suriname was toen onder Brits bewind) wat zich weerspiegelt in de vele Engelstalige plaatsnamen in het district. Begin 19de eeuw maakte Coronie nog deel uit van het district Nickerie. In 1851 werd het daarvan afgesplitst. De naam Coronie is afgeleid van de aldaar gevestigde militaire post Corona.
Coronie heeft met 3.391 inwoners (2012) de kleinste bevolking van alle Surinaamse districten. De meeste Coronianen wonen langs de Oost-West verbinding. Het merendeel van de bevolking bestaat uit Creolen en Javanen.
Al sinds de plantagetijd wonen verreweg de meeste Coronianen op een dunne strook hoger gelegen grond langs de kust, een aaneengesloten complex van schelpenritsen. Ten noorden en zuiden van deze ritsen liggen landbouwgronden, in het noorden begrensd door de zee, in het zuiden door een zoetwaterzwamp (moeras), dat voor de zoetwatervoorziening zorgt. Een deel van deze drassige landen behoren tot het natuurgebied Bigi Pan, dat zich uitstrekt tot in het district Nickerie.
Na de afschaffing van de slavernij in 1863 werden de meeste plantages in delen verkocht aan de vrijgeworden slaven om aan kleinschalige landbouw te doen.Vooral de kokosteelt en daarmee verbonden het houden van varkens (varkens werden gevoerd met kokosvlees), was aanvankelijk belangrijk. Door ziekten en veroudering ging zij echter langzaam achteruit. Tegenwoordig zijn rijst en visvangst de belangrijkste inkomensbronnen voor Coronie. Desondanks staat Coronie nog altijd bekend om zijn kokospalmen. Ook staat Coronie bekend om bijenteelt en honing.
De regering-Bouterse nam in 2014 het initiatief, de rijstbouw nieuw leven in te blazen. Ze kwam met een plan van voorfinanciering door het ministerie van landbouw, veeteelt en visserij om de noodzakelijke investeringen door de boeren mogelijk te maken. In 2015 werd met geld van de EU en het Caribbean Agricultural Research and Development Institute (CARDI) en het International Trade Centre (ICT) een project gestart om de kokoscultuur weer nieuw leven in te blazen.